Toen le chef de cuisine riposteerde dat het hem erg speet dat Madame genoegen had moeten nemen met een bouillon op basis van Charolais was de verborgen verontwaardiging in zijn stem alleen door een zeer goed geoefend oor waar te nemen. Ik deelde ’s mans ongenoegen over de opmerking die Constance had gemaakt. De Charolais wordt als het meest edele der runderrassen beschouwd en er zijn genoeg mensen die hun rechterhand zouden willen geven om ooit een stukje van dat heerlijke vlees te mogen proeven.
De nuance ging aan Constance voorbij maar le chef de cuisine miste mijn licht opgetrokken wenkbrauw niet.
Ach, de Charolais. Het deed mij terug denken aan mijn favoriete oom en tante die het Château de Rambuteau te Ozolles bewonen; zij hebben een indrukwekkend grote kudde Charolais. Als kind heb ik er (samen met mijn broers en zussen) menig maal gelogeerd. In de zomers waren we druk in de weer met het bouwen van een of andere boomhut. Ook maakten we lange wandel- of fietstochten en waren we tevens op de rivier te vinden.
Ik was zeventien toen we voor de Pique Nique waren neergestreken bij De Toren van Karel de Stoute en ik had net mijn tanden gezet in een overheerlijke sandwich jambon-beurre toen we opgeschrikt werden door geroep in de verte.
“Toulouse! Viens ici! Ici, maintenant!” Een enorm grote hond rende onze kant op, gevolgd door een meisje met een grote hoed op haar hoofd. Om te voorkomen dat de hoed van haar hoofd zou vallen drukte zij die stevig vast terwijl zij, al rennende, de hond probeerde tot staan te brengen door middel van hysterisch geroep. “Toulouse! Arrête! Arrête!”
De hond had echter geen zin om te stoppen. Sterker nog; hij leek steeds harder te gaan rennen. “We ain’t got nothing Toulouse,” grapte ik nog naar mijn broers en zusters maar het volgende moment had het beest zich op mij geworpen en mij ontdaan van de sandwich jambon-beurre die ik had willen oppeuzelen.
Doorgaans zou ik om zulk een situatie nog wel hebben kunnen lachen maar daar was die dag absoluut geen sprake van. De sandwich jambon-beurre die ik had willen eten was namelijk niet zo maar een doorsnee broodje. Zowel de ham als de boter kwamen van het Château de Rambuteau en ik kan een ieder verzekeren dat beiden ‘om op te eten’ zijn.
Nauwelijks bekomen van de schrik werd ik geconfronteerd met een woedende Constance. |