“Ik denk dat het geen kwaad kan als u cognitieve therapie gaat doen.”
Dat zijn de woorden die de bedrijfsarts spreekt wanneer bij mij een burn out is geconstateerd. Ze geeft mij een website waarop therapeuten door het gehele land gevonden kunnen worden. Ik neem contact op met een therapeute bij mij om de hoek en eind januari heb ik daar een eerste gesprek.
Ik zit tegenover M. in een schemerig kamertje en het valt me op dat ze er vrij lang over doet om allerlei formulieren in te vullen. Ze vertelt dat ze haar ringen kwijt is en op mijn vraag of deze gesprekken direkt door de verzekering vergoed worden is haar antwoord dat dat inderdaad het geval is. “In het verleden was er een eigen risico maar dat is afgeschaft. Dat vind ik wel jammer want dat liet ik altijd contant betalen en dan had ik wat zakgeld,” vertelt ze giechelend.
M. houdt praktijk in Dijkdam van maandag t/m woensdag en in mijn woonplaats op de resterende twee dagen van de week. We spreken af om steeds op donderdag een sessie te doen en ik geef aan mijn werk door dat die dag in de agenda afgeblokt moet worden.
Als ik de volgende week aanbel wil M. geen handen schudden en dit gesprek is meer gezellig babbelen dan een intake. Na deze sessie ben ik een heleboel dingen over M. te weten gekomen. Zo weet ik nu dat zij smetvrees heeft en een hekel heeft aan de een minuut stilte op 4 mei omdat dat haar verjaardag is.
Tijdens het derde gesprek blijkt de term MDS haar in eerste instantie niets te zeggen. Mij lijkt dat het voor een psychotherapeut duidelijk moet zijn dat we dan over Manisch depressieve stoornis praten. M. zegt dat donderdag eigenlijk haar vrije dag is en ze vraagt of we voortaan op vrijdag kunnen afspreken.
Ondertussen gaat het met mij al heel goed; in korte tijd heb ik op eigen kracht veel vorderingen gemaakt. Met mezelf spreek ik af dat ik M. nog twee sessies de kans geef. Als het dan nog steeds zo door kabbelt dan stop ik er mee.
Het vierde gesprek is dan eindelijk de afronding van de intake en M. stelt mij twee vragen die zij ook in de eerste sessie stelde. Ik vertel haar dat zij mij dat al gevraagd heeft.
“Dan heb ik die niet genoteerd.”
“Jawel, dat zag ik je noteren.”
“Dan moet het ergens in deze stapel liggen.”
Vorige week was er geen gesprek omdat ik training moest geven maar vandaag om twee uur is het dan tijd voor de eerste echte sessie. Ik ga zitten en vertel dat het goed gaat. Inmiddels heb ik al meerdere trainingen gegeven en de bedrijfsarts heeft geconstateerd dat ik eind maart weer volledig aan de slag kan. Ik voel me erg goed en heb sterk het gevoel dat dit het laatste gesprek zal zijn. Als na drie minuten de deurbel gaat meldt zich een man voor zijn afspraak van 14.00 uur. Ik trek mijn agenda en laat zien dat daar op 5 maart 14.00 staat genoteerd. Bij M. is vertwijfeling en ze vraagt aan mij wat mijn naam is.
“Mijn naam?! Dit is de vijfde keer dat ik hier ben!”
De man geeft aan wel een nieuwe afspraak te zullen maken.
“Wacht maar even,” zeg ik tegen hem, “ik denk dat ik zo wel klaar ben.” De deur van de schemerachtige kamer doe ik dicht en ik vertel M. dat we volgens mij wel klaar zijn met de therapie. “Ja, als het goed gaat dan gaat het goed. Mocht er wat zijn kan je altijd bellen!” zegt zij.
Met de opmerking dat de wachtende man de therapie waarschijnlijk harder nodig heeft dan ik laat ik de boel verder de boel en ik vertrek.
In de supermarkt gaat om vijf over drie mijn mobiel en heb ik M. aan de lijn. “Ik wilde nog even zeggen dat ik het erg jammer vind dat het zo is gelopen. Ik heb nog in mijn agenda gekeken en ik zie dat ik vorige week om twee uur op je heb zitten wachten.”
“Dat kan niet want toen gaf ik training. Daarom hebben we de afspraak gemaakt voor vandaag.”
“Toch zou ik graag nog een afspraak met je willen maken, los van wat er vandaag gebeurd is.” Ik geef aan mijn agenda nu niet bij de hand te hebben en dat ik nog wel zal bellen.
Denk jij dat Blanchefort nog iets van zich zal laten horen? |